Bronanalyse · Trouw · 1992
15 juli 2025
Oud Trouw-artikel (1992) onthult hoge sterfte onder allereerste Nederlandse transitioneerders
Een weinig geciteerd interview uit Trouw (1992) bevat een schokkende getuigenis: van de tien à elf mensen die rond dezelfde periode als de geïnterviewde bij hormoonarts dr. Otto de Vaal kwamen, zijn er vijf overleden — vier door zelfdoding, allemaal tussen hun dertigste en veertigste jaar.

Een vergeten getuigenis uit 1992
In 1992 publiceerde het dagblad Trouw een interview met een vroege transitioneer die spijt heeft van zijn medische transitie. Het stuk bevat meer dan alleen een persoonlijk relaas — het bevat een verontrustende getuigenis over de allereerste generatie transgenderpatiënten in Nederland. Een getuigenis die grotendeels onopgemerkt is gebleven.
De getuigenis: vijf doden, vier door zelfdoding
De geïnterviewde beschrijft de groep mensen die rond dezelfde periode als hijzelf bij hormoonarts dr. Otto de Vaal in behandeling kwamen. Zijn woorden zijn direct:
"Van de groep van tien, elf mensen die in dezelfde periode als ik bij dr. De Vaal kwamen, zijn er nu vijf dood, van wie vier door zelfdoding, allemaal tussen hun dertigste en veertigste jaar."
Hij voegt toe: "Ik denk dat ze zo gefixeerd waren op het idee dat alles ten goede zou keren als ze eenmaal vrouw waren geworden dat het alleen maar kon tegenvallen."
De cijfers zijn hard: in een groep van tien à elf personen stierven vijf mensen voortijdig — bijna de helft. Vier van de vijf sterfgevallen waren zelfdodingen. Allen in de leeftijdscategorie dertig tot veertig jaar.
Relatie tot de wetenschappelijke onderzoekscohort
De vijf sterfgevallen waarover de geïnterviewde spreekt, vallen buiten de veel geciteerde onderzoekscohort van 141 personen uit de studies van Cohen-Kettenis en Kuiper — de cohort die regelmatig wordt aangevoerd als bewijs voor veiligheid en effectiviteit van medische transitie in Nederland. Ze vallen echter wél binnen de totale groep van 229 personen die wordt beschreven in Transseksualiteit van A.J. Kuiper (1991, pagina 50).
Dit onderscheid is van belang: als alleen de 141-cohort wordt gebruikt voor uitspraken over uitkomsten, blijven de meest kwetsbare en vroegste patiënten — waaronder mogelijk de vijf overledenen — buiten de analyse. De vraag waarom precies 88 personen uit de totale 229 buiten de kernanalyse vielen, wordt in hedendaagse discussies zelden gesteld.
Vroege problemen, late erkenning
Het Trouw-artikel uit 1992 toont aan dat er al vroeg in de Nederlandse genderzorg serieuze problemen zichtbaar waren. De geïnterviewde man spreekt openlijk over zijn eigen spijt en zijn verklaring voor de sterfgevallen: een gefixeerd geloof dat transitie alles zou oplossen, gevolgd door de confrontatie met de werkelijkheid.
Dit soort langetermijnuitkomsten wordt in officiële Nederlandse genderzorg-literatuur vrijwel nooit genoemd. Geciteerde data zijn doorgaans afkomstig uit de kleinere kernanalyse — niet uit de totale groep van 229 patiënten.
Betekenis voor het huidige debat
Het gegeven dat een directe tijdgenoot en lotgenoot van de allereerste Nederlandse transitioneerders in 1992 al publiekelijk waarschuwde voor hoge sterftecijfers in zijn omgeving, verdient serieuze aandacht. Dit is geen anonieme terugblik — het is een gepubliceerd kranteninterview, destijds voor iedereen toegankelijk.
De vraag die dit oproept is rechtstreeks: waarom zijn deze vroege waarschuwingssignalen nooit systematisch onderzocht, en waarom worden ze in de huidige discussie over kwaliteit en veiligheid van de Nederlandse transgenderzorg niet meegenomen?