Dossier / Doelgroepen
Doelgroepen: vier klinische cohorten
Genderdysforie is geen homogene diagnose. De klinische literatuur onderscheidt vier cohorten met verschillende onset, demografie, comorbiditeit en uitkomst. Wie deze cohorten op een hoop gooit, kan geen zinnig risico-oordeel vellen. Dit dossier behandelt elk cohort apart.
De vier cohorten
Tienermeisjes (ROGD / post-2010)
Sinds 2010 dominante presentatie in pediatrische klinieken. Geen kinderhistorie van dysforie, onset rond/na puberteit, peer-clustering, hoge comorbiditeit met autisme, eetstoornis, depressie en zelfbeschadiging.
Naar dossier tienermeisjesJongens met vroege onset
Klassieke pre-2010-presentatie: cross-gender-gedrag vanaf kleutertijd. Steensma 2013: circa 80 procent desisteert tijdens puberteit; meerderheid blijkt later homoseksueel. Implicatie voor de denktijd-claim van puberteitsblokkers.
Naar dossier jongens puberteitVolwassen mannen (late onset)
Blanchard-typologie: homoseksueel-transseksueel (HSTS) versus autogynefiel-transseksueel (AGP). Demografisch verschillend van pediatrische MTF-cohort; impact op chirurgische uitkomsten en spijt-risico.
Naar dossier volwassen mannenAutistische jongeren (transversaal)
Prevalentie autisme in genderdysforie-cohorten is 6 tot 25 maal verhoogd (Warrier 2020 n=641.860). Diagnostische uitdaging door rigide denken en identiteitsvorming. Cass Review erkent de oversample.
Naar dossier autistische jongerenRisico's per categorie
De risicoprofielen verschillen per cohort en per interventie. Het dossier risico's behandelt mortaliteit, fertiliteit, chirurgische complicaties en psychiatrische uitkomsten.
Naar dossier risico'sZie ook
Bronnen
- Cass H. (2024). Independent review of gender identity services for children and young people: final report. cass.independent-review.uk
- Statistieken per cohort: statsforgender.org