
Het Amsterdam UMC publiceerde deze maand een nieuwe analyse van bijna twintig jaar eigen verwijzingscijfers, ditmaal met een ongebruikelijke invalshoek: niet wie er wél met puberteitsremmers, hormonen of chirurgie begon, maar wie dat juist niet deed. Van de 1.470 jongeren die tussen 2009 en 2019 achtereenvolgens werden aangemeld bij het Centrum Expertise Genderdysforie, startte 264 van hen — 18 procent — nooit met medische transitiezorg. Dat cijfer verdient meer aandacht dan het tot nu toe kreeg, want het raakt direct aan de vraag hoe zorgvuldig de diagnostische poort aan de voorkant eigenlijk werkt.
Waarom een op de vijf afvalt
De onderzoekers, verbonden aan de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie van het Amsterdam UMC, keken naar de dossiers van alle jongeren die in het decennium 2009-2019 werden aangemeld. Bij 38,3 procent van de 264 niet-starters bleek na diagnostiek geen sprake van genderdysforie. Bij nog eens 27,7 procent waren er wel dysfore gevoelens, maar bleek een volledig diagnostisch traject niet haalbaar — bijvoorbeeld door andere, op dat moment zwaarder wegende problematiek. Voor de resterende groep golden andere, niet nader gespecificeerde redenen. Met andere woorden: het intaketraject filtert in de praktijk een aanzienlijke groep jongeren uit voor wie een medische transitie kennelijk niet de aangewezen route was.
Minder genderdysforie, méér psychische problemen
Het meest opvallende resultaat zit niet in het percentage zelf, maar in wie de niet-starters bleken te zijn. Vergeleken met jongeren die wél aan medische transitiezorg begonnen, rapporteerden de niet-starters gemiddeld minder ernstige genderdysforie en een minder negatief lichaamsbeeld bij de intake. Dat lijkt in eerste instantie een geruststellend beeld: wie er echt aan toe was, kreeg de behandeling, wie twijfelde bleef weg. Maar dezelfde groep niet-starters rapporteerde tegelijk juist meer problemen in het algemeen psychisch functioneren dan de groep die wél startte. Een lager niveau van genderdysforie ging dus niet gepaard met minder psychische last in het algemeen — eerder het omgekeerde. Dat maakt het lastig om de niet-starters simpelweg weg te zetten als "de jongeren bij wie het vanzelf overging": een deel van hen droeg juist een zwaardere psychiatrische bagage mee, zonder dat genderzorg daar het aangewezen antwoord op was.
Wat er jaren later gebeurde
De onderzoekers volgden de niet-starters ook op langere termijn. Van de 264 jongeren die destijds niet met behandeling begonnen, meldde 28,8 procent — 76 personen — zich als volwassene opnieuw aan voor genderzorg. Dat betekent ook het spiegelbeeld: ruim zeventig procent deed dat niet. Voor de meerderheid van de groep die aanvankelijk niet in aanmerking kwam of zelf afzag van een traject, bleef een latere, hernieuwde aanmelding uit. Dat weerlegt niet dat er bij een deel van de jongeren daadwerkelijk sprake was van aanhoudende genderdysforie die pas later opnieuw naar voren kwam, maar het relativeert wel het idee dat wie eenmaal met dysfore gevoelens bij een genderkliniek aanklopt, vroeg of laat altijd alsnog behandeld wil worden.
Waarom dit cijfer ertoe doet
Het Nederlandse model wordt internationaal nog altijd aangehaald als voorbeeld van zorgvuldige gatekeeping, mede dankzij eerdere Amsterdamse cohortstudies die vooral de uitkomsten van wél-behandelde jongeren beschreven. Deze nieuwe cijfers laten een minder besproken kant zien: een substantiële groep verwezen jongeren krijgt geen dysforie-diagnose of geen haalbaar traject, en draagt daarbij vaker bredere psychische problematiek met zich mee dan de groep die wél start. Dat onderstreept hoe belangrijk brede diagnostiek aan de poort is — en hoe weinig een simpel doorstroompercentage zegt over de vraag of de juiste jongeren op het juiste moment de juiste zorg krijgen.
Bron
F.B.B. de Rooy, F.C.M. Dekkers, T.D. Steensma & A.L.C. de Vries, "Characteristics of Dutch Gender Clinic-Referred Adolescents Who Did Not Pursue Gender-Affirming Medical Treatment", Journal of Sex & Marital Therapy, gepubliceerd online 9 maart 2026.

Nienke Vogelaar
Redactie
Veelgestelde vragen
Hoeveel verwezen jongeren kregen uiteindelijk geen medische genderbehandeling?
264 van de 1.470 jongeren die tussen 2009 en 2019 bij het Amsterdam UMC werden aangemeld — 18 procent — startten nooit met puberteitsremmers, hormonen of chirurgie. Bij 38,3 procent van hen bleek geen sprake van genderdysforie; bij 27,7 procent was een diagnostisch traject niet haalbaar.
Waren de jongeren die geen behandeling kregen psychisch gezonder dan de rest?
Nee. Ze hadden weliswaar minder ernstige genderdysforie en een minder negatief lichaamsbeeld, maar rapporteerden juist méér problemen in hun algemene psychisch functioneren dan de groep die wél startte met behandeling.
Kwamen deze jongeren later alsnog terug voor genderzorg?
Een deel wel: 76 van de 264 (28,8 procent) meldde zich als volwassene opnieuw aan. De overige ruim 70 procent deed dat niet, wat erop wijst dat een hernieuwde aanmelding op latere leeftijd geen automatisme is.