Onderzoekers van het Universitair Ziekenhuis van Padua publiceerden in augustus 2025 in het Journal of Endocrinological Investigation een prospectieve studie naar botdichtheid bij volwassen transgender personen die hormoontherapie startten. De studie van Ceolin en collega's (GIIG-groep) volgde tussen januari 2020 en november 2024 in totaal 162 transgender deelnemers (96 transmannen, 66 transvrouwen) en 107 cisgender controlepersonen, met botscans (DXA) bij aanvang en na één jaar behandeling. De resultaten nuanceren het beeld dat botverlies door hormoontherapie vanzelf wel goedkomt.
Al een achterstand vóór de eerste hormoonprik
Nog voordat er één hormoon was toegediend, hadden de transgender deelnemers op vrijwel alle gemeten plekken een lagere botdichtheid dan de cisgender controlegroep. Bij transmannen lag de botdichtheid in de wervelkolom bijvoorbeeld op 1,01 tegenover 1,08 g/cm² bij cisgender vrouwen, en in de heup op 0,81 tegenover 1,00 g/cm² bij cisgender mannen. Deze uitgangspositie krijgt in de discussie over hormoontherapie weinig aandacht, terwijl ze bepalend is voor hoeveel marge er is voordat botdichtheid onder een klinisch zorgwekkend niveau komt.
Na een jaar: vooruitgang bij de één, achteruitgang bij de ander
Bij transvrouwen die oestrogeen kregen, steeg de botdichtheid in de wervelkolom significant, van gemiddeld 0,97 naar 1,02 g/cm² — vooral bij wie onder de twintig was. In de heup bleef de botdichtheid echter stabiel en onder het niveau van cisgender mannen. Bij transmannen die testosteron kregen, gebeurde het tegenovergestelde op één specifieke plek: de botdichtheid in de heup (femurhals) nam significant af, van 0,81 naar 0,79 g/cm², met de sterkste daling in de leeftijdsgroep 20 tot 30 jaar. Op alle meetpunten bleven transmannen ruim onder de waarden van cisgender mannen.
Hoe ouder bij start, hoe zwakker het herstel
De onderzoekers berekenden ook wat elk extra levensjaar bij de start van de behandeling betekent voor de botrespons. Bij transmannen hing elk jaar hoger startleeftijd samen met een verdere afname van de botdichtheid in de heup; bij transvrouwen gold hetzelfde patroon voor de heupregio. Concreet: wie na het bereiken van de piekbotmassa (rond de twintig) met hormoontherapie start, kan dus niet zonder meer rekenen op het herstel dat bij jongere deelnemers wél werd gezien. De onderzoekers noemen dit reden voor gerichte monitoring en preventieve maatregelen bij wie op latere leeftijd begint.
Wat de studie zelf als beperking noemt
De auteurs zijn opvallend expliciet over de grenzen van hun eigen bevindingen. Eén jaar follow-up is naar hun eigen zeggen te kort om iets te zeggen over fractuurrisico op lange termijn. Het observationele design laat geen causale conclusies toe, en bij de kleinere leeftijdsgroepen waarschuwen ze zelf voor overfitting in de statistische modellen. Variabelen als voeding, beweging, menstruatiegeschiedenis, eetstoornissen en therapietrouw ontbraken grotendeels, en de controlegroep van universiteitsstudenten kan een vertekend beeld geven door sociaaleconomische verschillen. Ook wijzen ze erop dat de gangbare FRAX-fractuurrisicotool niet gevalideerd is voor mensen onder de 40 jaar of voor transgender personen — een instrument dat in de praktijk toch veel wordt gebruikt om risico's in te schatten. Puberteitsremmers vielen bovendien buiten deze studie: die ging uitsluitend over hormoontherapie bij volwassenen.
Wat dit betekent voor risico-inschatting
Deze studie wordt door de onderzoekers zelf gepresenteerd als bewijs dat timing van hormoontherapie uitmaakt voor botgezondheid — niet als geruststelling dat botverlies vanzelf overgaat. Voor wie de risico's van hormoontherapie wil afwegen is vooral relevant dat de uitgangspositie van transgender personen al zwakker is dan gedacht, dat herstel niet voor iedereen optreedt, en dat de onderzoekers zelf toegeven dat de gebruikte meetinstrumenten en de korte meetperiode geen uitspraak toelaten over wat dit op de lange termijn betekent voor botbreuken.

Nienke Vogelaar
Redactie
Veelgestelde vragen
Wat is de belangrijkste bevinding van deze Italiaanse studie?
Transgender volwassenen hadden al vóór hormoontherapie een lagere botdichtheid dan cisgender leeftijdsgenoten, en bij transmannen boven de twintig nam de botdichtheid in de heup tijdens het eerste behandeljaar verder af.
Gaat deze studie ook over puberteitsremmers?
Nee, de studie onderzocht alleen hormoontherapie bij volwassenen van 16 tot 50 jaar die nog niet eerder hormonen hadden gebruikt; puberteitsremmers zijn niet meegenomen.
Welke beperkingen noemen de onderzoekers zelf?
Ze wijzen op de korte meetperiode van één jaar, het observationele (niet-causale) design, kleine leeftijdsgroepen, ontbrekende gegevens over leefstijl en therapietrouw, en een fractuurrisicotool (FRAX) die niet gevalideerd is voor deze leeftijdsgroep of doelgroep.