Vier typen detransitie: grootste studie tot nu toe laat zien dat er niet één verhaal is

Hoeveel mensen hun gendertransitie afbreken of terugdraaien, en waaróm ze dat doen, is een van de felst bediscussieerde vragen in de genderzorg. Een deze zomer gepubliceerde studie in Archives of Sexual Behavior geeft daar nu het meest gedetailleerde antwoord op dat er is: op basis van 957 deelnemers uit de VS en Canada onderscheiden de onderzoekers vier statistisch losstaande typen detransitie, elk met een eigen combinatie van oorzaken. De belangrijkste conclusie is meteen ook de meest ongemakkelijke voor wie het liever bij één verklaring houdt: detransitie is geen uniform fenomeen, en bij geen van de vier groepen ging het om een marginaal verschijnsel.

Hoe het onderzoek is opgezet

Het onderzoeksteam, onder leiding van Kinnon R. MacKinnon (York University), verzamelde tussen december 2023 en april 2024 gegevens bij 957 personen van 16 tot 74 jaar die hun sociale, hormonale of chirurgische transitie hadden onderbroken, stopgezet of teruggedraaid. Van de deelnemers was 78,8 procent bij geboorte als vrouw geregistreerd; 73,6 procent woonde in de Verenigde Staten, 26,4 procent in Canada. Met latente-klassenanalyse — een statistische methode die groepen mensen indeelt op basis van patronen in hun antwoorden, niet op basis van een vooraf bedachte indeling — brachten de onderzoekers structuur aan in zes dimensies: minderheidsstress en discriminatie, drempels in de toegang tot zorg, neurodivergentie en psychische klachten, ontevredenheid over de behandeling of medische complicaties, tevredenheid over de ondergane behandeling, en een verschuivende zelfidentiteit. De uitkomst werd vervolgens getoetst in interviews met 42 deelnemers, verspreid over de vier groepen.

De vier groepen

De grootste groep, klasse A (n=316, ruim een derde van de steekproef), scoorde hoog op psychische klachten en op een veranderende zelfidentiteit, gecombineerd met een merkbare ontevredenheid over de gekregen behandeling — de groep die het dichtst bij wat in de volksmond "spijt" heet. Klasse B (n=186) is opvallend: relatief tevreden over de medische behandeling zelf, maar toch met een zelfidentiteit die intussen was verschoven. Klasse C (n=182) en klasse D (n=273) werden allebei vooral gekenmerkt door discriminatie en interpersoonlijke afwijzing; bij klasse D speelden daarnaast drempels in de toegang tot zorg — kosten, verzekering, wetgeving — een grotere rol. Vier verschillende paden dus, met maar één groep waarbij spijt over de behandeling zelf op de voorgrond staat.

Het cijfer dat in geen van de nieuwskoppen stond

Wat in de eerste berichtgeving over de studie grotendeels onderbelicht bleef: in alle vier de klassen had tussen de 62,9 en 65,8 procent van de deelnemers al een medische transitie ondergaan — hormonen, chirurgie, of beide — voordat ze afhaakten. Dat weerspreekt een veelgehoorde geruststelling, namelijk dat detransitie zich vooral zou afspelen bij mensen die niet verder kwamen dan een sociale transitie. Ook onder wie al medisch behandeld was, komt detransitie in aanzienlijke aantallen voor, en dat gebeurt om uiteenlopende redenen — niet alleen door externe druk, maar bij een substantieel deel ook door onvrede met de behandeling zelf en een identiteit die zich anders ontwikkelde dan verwacht.

Waarom deze indeling ertoe doet

De studie komt niet uit de hoek die doorgaans kritisch staat tegenover bevestigende genderzorg — MacKinnon publiceert juist regelmatig over het belang van toegankelijke transgenderzorg. Dat maakt de uitkomst extra betekenisvol: zelfs onderzoekers die niet uit zijn op het relativeren van transitiezorg, vinden een grote, heterogene groep waarbinnen spijt, ontevredenheid en een veranderde identiteit een net zo groot aandeel vormen als discriminatie en zorgtoegang. Voor de Nederlandse discussie betekent dit vooral dat generieke uitspraken over detransitie — "zeldzaam" of "altijd door maatschappelijke afwijzing" — de lading niet dekken. Zie voor een uitgebreidere uitwerking van de vier profielen die MacKinnon en collega's onderscheiden het dossier op transspijt.nl. Nazorg voor wie stopt of teruggaat, zal moeten aansluiten bij welk van deze vier paden iemand heeft doorlopen, in plaats van bij één verondersteld standaardverhaal.

Bron

Kinnon R. MacKinnon et al., "A Latent Class Analysis of Interrupted Gender Transitions and Detransitions in the USA and Canada", Archives of Sexual Behavior, 2025.

Nienke Vogelaar

Nienke Vogelaar

Redactie

Veelgestelde vragen

Betekent dit dat de meeste detransities uit spijt over de behandeling voortkomen?

Nee. Van de vier gevonden groepen scoorde alleen klasse A (bijna een derde van de 957 deelnemers) hoog op ontevredenheid over de behandeling. De andere drie groepen werden vooral gekenmerkt door discriminatie, zorgtoegang of een verschuivende identiteit bij een overigens tevreden ervaring met de behandeling.

Ging het vooral om mensen die alleen sociaal waren getransitioneerd?

Nee. In alle vier de klassen had 62,9 tot 65,8 procent van de deelnemers al een medische transitie ondergaan — hormonen, chirurgie of beide — voordat ze stopten of terugkeerden.

Is dit onderzoek afkomstig uit een gender-kritische hoek?

Nee, juist niet. Hoofdonderzoeker Kinnon R. MacKinnon staat bekend om onderzoek dat pleit voor toegankelijke transgenderzorg. Dat maakt het extra opvallend dat ook deze studie een grote, heterogene groep vindt waarin spijt en ontevredenheid een substantieel aandeel vormen.