Prevalentie / Late-onset

Late-onset gender dysphoria

Late-onset gender dysphoria (LOGD) is genderdysforie die ontstaat in de adolescentie of jongvolwassenheid — niet in de vroege kindertijd. Het is de groep die vanaf 2010 wereldwijd domineert in nieuwe verwijzingen naar gendergezondheidsklinieken: overwegend biologisch vrouwelijke adolescenten, zonder voorafgaande childhood-onset, vaak met hoge psychiatrische comorbiditeit. Het Dutch Protocol is op deze groep niet gebaseerd en niet getoetst.

Het verschil met childhood-onset

Childhood-onset gender dysphoria (de groep waarop het Dutch Protocol oorspronkelijk werd ontwikkeld, n=55) ontstaat vóór de puberteit, vaak rond het derde of vierde levensjaar, en is overwegend biologisch mannelijk. Late-onset gender dysphoria — de groep die nu de instroom domineert — ontstaat in de adolescentie zonder eerdere klinische geschiedenis van genderdysforie, en is overwegend biologisch vrouwelijk (70-80% in moderne cohorten). Het zijn klinisch en epidemiologisch twee verschillende groepen, met verschillende risico-profielen.

De kantel rond 2010

Tot ongeveer 2010 vormden biologisch mannelijke kinderen de meerderheid van verwijzingen. Vanaf 2010 — en versterkt door sociale media en peer-clusters vanaf 2013 — kantelde dat. Tienermeisjes werden de grootste groep. In Tavistock (UK), Amsterdam UMC (NL), TAYS/HUS (Finland) en CAMH (Canada) werden dezelfde cijfers gezien: tienjarig-oude protocollen werden plotseling toegepast op een fundamenteel andere klinische populatie.

Het Dutch Protocol is ontwikkeld op een groep van 55 patiënten met childhood-onset dysphoria. De moderne instroom — tienermeisjes met late-onset en hoge comorbiditeit — is een andere klinische groep. Het protocol is niet voor die groep getoetst. — Strekking van Vasterman, Cass en Levine c.s.

Wat de comorbiditeit-cijfers laten zien

Bij late-onset adolescenten — vooral meisjes — is de comorbiditeit hoog: autisme-spectrum, eetstoornissen, depressie, angst, dissociatie, persoonlijkheidsstoornissen. Zie de aparte landings psychiatrische comorbiditeit en co-morbiditeit (autisme/eetstoornissen/trauma/depressie). De kantel naar meisjes correleert met die comorbiditeit: de groep die nu binnenkomt is psychiatrisch complexer dan de oorspronkelijke Amsterdamse cohort waarop het protocol is gebouwd.

Wat dit voor het beleid betekent

  • Het Dutch Protocol kan niet zonder toetsing worden toegepast op late-onset adolescenten — de groep is klinisch anders.
  • ROGD beschrijft een subgroep van late-onset cases met peer-cluster en sociaal media-component.
  • Internationale heroverweging (UK, Zweden, Finland) richt zich specifiek op deze groep met meer terughoudendheid.
  • Nederlandse genderzorg blijft de groepen behandelen alsof het hetzelfde klinische beeld is.