
Een nieuwe systematic review in het International Journal of Transgender Health concludeert dat nog geen twee procent van de adolescenten die puberteitsremmers of hormoontherapie kregen, daar later spijt van krijgt. De onderzoekers Wright, Nguyen, Tollit en Pang doorzochten 27 studies en berekenden een spijtcijfer puberteitsremmers van 1,2 procent en een spijtcijfer bij hormoontherapie van 0,6 procent. Het cijfer wordt inmiddels aangehaald om te stellen dat spijt bij genderzorg voor jongeren een uitzondering is. Maar de manier waarop dat cijfer tot stand komt, verklaart voor een groot deel waarom het zo laag uitvalt — en waarom het weinig zegt over hoeveel jongeren daadwerkelijk spijt krijgen.
Wat de studie precies mat
De auteurs doorzochten MEDLINE, EMBASE, PsycINFO en PubMed op studies die vóór 21 november 2024 zijn gepubliceerd en die het staken van behandeling en/of spijt beschreven bij min-18-jarigen die puberteitsremmers en/of hormonen kregen. 27 studies voldeden aan de inclusiecriteria. Het mediane stopcijfer voor puberteitsremmers kwam uit op 4,5 procent, voor hormoontherapie op 1,9 procent. Het spijtcijfer zelf werd berekend op 1,2 procent voor puberteitsremmers (11 van 916 gevallen) en 0,6 procent voor hormoontherapie (6 van 1033 gevallen). De auteurs benadrukken dat de meeste stopgevallen niets met spijt te maken hadden.
Waarom het cijfer zo laag uitkomt
Het probleem zit niet in de rekensom, maar in de teller en de noemer. Spijt wordt in deze studies vrijwel altijd gemeten bij patiënten die nog in beeld zijn bij dezelfde kliniek — wie verhuist, van zorgverlener wisselt, of juist bewust wegblijft omdat hij of zij spijt heeft en geen contact meer wil met de instelling die de behandeling gaf, verdwijnt simpelweg uit beide getallen. De onderliggende cohorten hebben bovendien vaak een follow-up van maar enkele jaren, terwijl spijt en detransitie regelmatig pas na vele jaren aan het licht komen. Een cijfer dat alleen meet wie binnen een paar jaar terugkomt bij dezelfde kliniek om spijt te melden, meet dus vooral de beste-case-uitkomst, niet de werkelijke omvang.
Wat groter en recenter onderzoek laat zien
Diezelfde uitval-problematiek dook eerder al op in de kritische review van McDeavitt en Cohn naar dertig jaar Dutch Protocol-onderzoek, hier eerder besproken op Genderrisico: in één van de aangehaalde Amsterdamse cohorten bleef na zeven jaar nog maar 39 procent van de oorspronkelijke deelnemers over. Ook een grootschalige Noord-Amerikaanse studie onder 957 mensen die hun transitie stopzetten, laat een veel gelaagder beeld zien dan één percentage kan vangen: die studie onderscheidt minstens vier verschillende detransitie-profielen, waarvan er twee gepaard gaan met aanzienlijke psychische nood. Zulke deelnemers vinden onderzoekers zelden terug via de dossiers van de behandelende kliniek — precies de bron waarop de nieuwe systematic review vrijwel volledig leunt.
Bron en duiding uit elkaar houden
Het is belangrijk hier onderscheid te maken tussen wat de studie zegt en wat wij daarvan concluderen. De auteurs zelf claimen niet dat spijt niet vóórkomt of onbelangrijk is; ze melden een gemeten percentage binnen de grenzen van hun brongegevens en wijzen zelf op de beperkte follow-up-duur als kanttekening. Onze conclusie — dat dit cijfer stelselmatig te laag uitvalt door wie de studies structureel niet meten — is onze eigen lezing van die beperking, niet een bevinding die de auteurs zelf zo hard trekken.
De mensen achter de cijfers
Achter ieder promillepunt schuilen individuele verhalen die in een systematic review nauwelijks zichtbaar worden. Het verhaal van Alan Finch, de Australische detransitioner die als eerste een genderkliniek liet sluiten na een rechtszaak, laat zien hoe lang zo'n proces kan duren voordat het als spijt geregistreerd wordt — als het al ooit in een dossier van de oorspronkelijke kliniek terechtkomt. Overzicht van alle artikelen van Genderrisico staat op de artikelenpagina van deze site.
Bronnen
Wright, D., Nguyen, T. P., Tollit, M. A., Pang, K. C. (2026). "Rates of discontinuation and regret in trans and gender diverse adolescents receiving puberty blockers and hormone therapy: a systematic review." International Journal of Transgender Health. tandfonline.com/doi/full/10.1080/26895269.2026.2709506.

Nienke Vogelaar
Redactie
Veelgestelde vragen
Wat betekent een spijtcijfer van 1,2 procent precies?
Het is het aandeel patiënten dat in 27 onderzochte studies expliciet spijt registreerde bij dezelfde kliniek die de puberteitsremmers voorschreef: 11 van de 916 gevolgde gevallen. Het zegt niets over patiënten die nooit meer bij die kliniek terugkwamen.
Waarom is dit cijfer waarschijnlijk te laag?
De onderliggende studies meten spijt vrijwel alleen bij patiënten die in beeld blijven bij dezelfde behandelende kliniek en met een follow-up van meestal maar een paar jaar, terwijl spijt en detransitie vaak pas na langere tijd aan het licht komen.
Wat zegt ander onderzoek over detransitie en spijt?
Een grootschalige Noord-Amerikaanse studie onder 957 mensen die hun transitie stopzetten, onderscheidt minstens vier verschillende profielen, waarvan er twee gepaard gaan met aanzienlijke psychische nood — een veel gelaagder beeld dan één percentage kan vangen.